woensdag 29 december 2010

Videoclips

YouTube is de manier bij uitstek om muziek te promoten. Er worden al heel wat jaartjes prachtige videoclips gemaakt. Een van de origineelste, meest kunstzinnige clips die ik ken, staat hieronder. Het is het nummer Sledgehammer van Peter Gabriel, oud-zanger van Genesis. De compositie stamt uit 1986, is dus al bijna 25 jaar oud, maar heeft nog niets aan kwaliteit ingeboet. Het digitale tijdperk stond nog in haar kinderschoenen, dus bij de totstandkoming van dit filmpje moet onvoorstelbaar veel ouderwets handwerk verricht zijn. Het doet in de verte een beetje denken aan de Monty Pythonanimaties uit het Flying Circus, maar het heeft af en toe ook iets weg van de kleianimaties van de Wallace and Gromitfilmpjes . Even door de eerste maten en beelden heenbijten. Daarna volgt een prachtige animatie met mooie effecten en verrassende overgangen. Daarbij is Sledgehammer gewoon ook een lekker nummer.

Ik hoop op deze plek nog veel nieuwe popvideoclips te gaan plaatsen. Als een lezer een suggestie heeft, hoor ik dat uiteraard graag. info@webuplease.nl

dinsdag 28 december 2010

Wonderkinderen

Vroeger dacht je bij het woord ‘wonderkind’ aan Mozart of Beethoven. Een wonderkind werd toen gezien als een zeldzaam fenomeen en meestal associeerde je het woord met uitzonderlijke muzikale gaven. Het aantal hits dat YouTube oplevert valt mee. Wonderkind: 331. Maar als we iets meer internationaal gaan zoeken (child prodigy) komen we op ruim 5000. Nog niet echt veel als je nagaat hoeveel ytf’s er zijn. Pakken we nog iets breder uit (talent), dan komen we op 1.400.000 hits uit. Dat komt natuurlijk door de enorme hoeveelheid talentenshows op de televisie, waar inderdaad af en toe een echt talent naar boven schijnt te komen drijven, maar waar de meeste optredende artiesten alleen maar op de lachspieren werken of de kijker kromme tenen bezorgen. Maar wel allemaal door goedwillende amateurs op film gezet en op YouTube gekwakt.

Onderstaand filmpje laat een driejarige jongen zien die het vierde deel uit de vijfde symfonie van Ludwig von Beethoven dirigeert. Het is duidelijk, dat hij er plezier in heeft, maar dat Beethoven in elke vezel van zijn lijf zit, is uitzonderlijk om te zien. Het filmpje duurt ruim vier minuten en, hoewel de dirigent gelijk vanaf het begin volledig in het stuk zit, gaat hij na ongeveer drie en een halve minuut echt helemaal uit zijn dak. ‘Dat stokje heb ik niet meer nodig en, oei, wat is dat dirigentenplatform eigenlijk klein!’

Met dank aan Joep W.

maandag 27 december 2010

YouTubefilmpjes, deel 2

Actie is reactie. Het gebeurt regelmatig dat ik een youtubefilmpje (in het vervolg een ‘ytf’) toegestuurd krijg en dat er daar enkele dagen later een soortgelijk vervolg wordt toegezonden. De hoeveelheid ytf’s is inmiddels zo groot dat er over elk onderwerp honderden of zelfs duizenden bijdrages zijn te vinden. Typ ‘Hallelujah’ in en je krijgt ongeveer 43200 resultaten. Hallelujah, Handel levert ruim 4500 resultaten op. Een van die 4500 hits laat het volgende filmpje zien. Knap, origineel en bijzonder grappig, alhoewel niet geheel vlekkeloos uitgevoerd. Iemand moet op dit idee gekomen zijn en toen een choreografie hebben geschreven. Het gegeven dat het muziekstuk slechts uit een stuk of vier regels tekst bestaat is natuurlijk wel een prettige bijkomstigheid.

Helaas ontbreekt het begin, de opname is in een theater en de filmer heeft te laat zijn camera aangezet. Waarschijnlijk verwachtte hij / zij niet dat het zo’n interessante Hallelujah zou worden. Van deze uitvoering zijn verschillende versies te vinden, door verschillende gezelschappen. Dit lijkt de meest geslaagde, maar als iemand een betere heeft, hou ik me aanbevolen. En uiteraard worden er waarschijnlijk naar aanleiding van dit ytf weer andere suggesties gedaan waaronder ongetwijfeld weer nieuwe briljantjes zitten. Maar die bewaren we voor een andere keer. Eén tegelijk.

zondag 26 december 2010

YouTubefilmpjes, deel 1

De vraag hoeveel filmpjes er op YouTube staan en hoeveel er dagelijks bijkomen is schijnbaar al helemaal niet interessant meer: de meest recente informatie die Google hierover vindt (zoekvraag: hoeveel filmpjes staan er op YouTube?), is alweer zes maanden oud. Ene Pieter Veenstra beweerde toen dat er 120.000.000 filmpjes op YouTube stonden die bij elkaar 789.4 Petabytes aan ruimte innamen. Hoe hij aan deze wijsheid komt, staat er niet bij, maar het klinkt in ieder geval indrukwekkend.

Ik zal niet de enige zijn die regelmatig door vrienden en kennissen youtubefilmpjes krijgt opgestuurd. Het zijn vaak grappige filmpjes , maar ook ontroerende, kunstzinnige of muzikale. Vaak zijn we getuige van (in de ogen van de maker zelf) uitzonderlijke talenten, nog veel vaker van allerhande bloopers. Deze laatste worden al zo vaak op de televisie vertoond in ‘de-leukste-thuisvideoootjes’ dat ik aan deze soort maar voorbij wil gaan.

De komende tijd wil ik proberen om de filmpjes die ik krijg opgestuurd een plekje op dit blog te geven. Wie weet krijg ik als gevolg hiervan weer reacties met suggesties. Zoals gezegd, zal ik de categorie ‘bloopers’ niet opnemen in de collectie. Aan een zekere standaard (uiteraard door mij aan te leggen) moeten de filmpjes wel voldoen; racistische, sexistische en pornografische filmpjes worden sowieso geweerd. Wie mij dergelijke suggesties opstuurt zal ik terstond ontvrienden en uit mijn testament schrappen.

We starten met een filmpje die goed bij deze (kerst)tijd past. Ik kreeg hem opgestuurd door een vriendin van G. en ik kreeg er tranen van in mijn ogen en rillingen over de rug. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat ik het stuk zelf ooit als koorknaapje heb gezongen. Het filmpje duurt bijna vijf minuten, dus ga er even voor zitten.

dinsdag 21 december 2010

Statistieken

Wie een weblog bijhoudt, hoopt dat die gelezen wordt. Zo ijdel durf ik wel te wezen. Met m’n stukkies wil ik mensen vermaken, prikkelen of gewoonweg op de hoogte houden als dat zo uitkomt. En ik schrijf natuurlijk ook voor mezelf: om m'n gedachten te ordenen en mijn geest te slijpen (ahum...) Een weblogaanbieder houdt statistieken bij van de pageviews. Waarschijnlijk is het voor blogspot.com belangrijk dat ze over cijfers van bezoekersaantallen beschikt, maar ook voor de weblogschrijver zelf is het een leuke manier van feedback.

Sommige uitkomsten van de BIKKEN-statistieken zijn op z'n minst opmerkelijk te noemen en geven op zichzelf alweer een aanleiding tot het schrijven van een nieuwe blog.

Een paar cijfers op een rijtje:
BIKKEN telt in totaal nu 73 verhalen.
Het totale aantal pageviews (vanaf november 2009) bedraagt 2570.
Dat betekent dat elk verhaal gemiddeld 35 keer is gelezen.
Het aantal pageviews van vorige maand bedraagt 823. Dat komt vermoedelijk voor een groot deel voor rekening van het vervolgfeuilleton over de vuige vijand, maar dat is niet het hele verhaal, want ook de column ´Kerstcake kun je niet vroeg genoeg plannen’ (15 december 2009!) scoort hoog. Waarschijnlijk hebben mensen gezocht naar een recept voor kerstcake. Zijn die even bedrogen uitgekomen!
Op de tweede plaats is geëindigd: ‘Columns schrijven’ (7 februari 2010) met 68 pageviews. Opmerkelijk is ook de hoog geëindigde column over het Achterhoeks Nieuws (42 pageviews), die over hetzelfde onderwerp ging als die van genoemde ‘Columns schrijven’. Beide verhalen behandelen het soms bedroevende journalistieke niveau van de columns die verschijnen in (vooral) streekbladen. Blijkbaar een interessant onderwerp, maar het riekt een beetje naar navelstaarderij, al kan ik niet precies uitleggen wat ik hiermee bedoel.
And the winner is: ‘De woorden van Wilders, en waarom ze werken’: 195 pageviews! Een ander artikel over Wilders (Het zonnetje in huis) scoort ook hoog (37), dus in totaal zijn er meer dan 200 mensen die mijn mening over Wilders belangwekkend genoeg vonden om te lezen. Nou hoop ik maar dat het gros van de bezoekers het met me eens is, anders ben ik zelf misschien ook schuldig aan de wildgroei van de PVV. Ik vraag me overigens wel af, hoe mensen mijn blog vinden. Ik heb zelf het zoekwoord wilders ingetikt bij Google, maar mijn blog wordt pas op pagina tigtig genoemd. Wie het weet, mag het zeggen.

Een andere opmerkelijke uitslag betreft de pageviewstatistieken per land. De meeste mensen bekijken mijn blogverhalen vanuit Nederland (1880). 177 mensen uit de VS hebben mijn blog bezocht (CIA?), 126 Belgen, 53 Duitsers, 42 Indianen, 40 Russen (KGB?), 36 Canadezen, 35 Britten, 33 Oekraïners (!) en 29 Spanjaarden. Ik mag mij zo onderhand met recht een wereldburger noemen.

Internet Explorer is nog steeds de meest gebruikte browser (74%), Firefox is in opmars (10%). Windows is nog steeds het populairste besturingssysteem (88%), Macintosh is nummer twee (9%) en de iPhone staat op een bescheiden derde plek (1%).

Ik wil hierbij alle volgers en lezers bedanken voor hun belangstelling en hen vragen om zowel de columns die hoog zijn geëindigd als de nauwelijks gelezen kneusjes nog eens te herlezen, zodat die volgend jaar ook een plaatsje in de statistieken veroveren. Ook reacties via dit blog worden zeer op prijs gesteld, al heb ik begrepen van een aantal mensen dat het plaatsen van een reactie niet altijd vlekkeloos verloopt. Maar mailen mag natuurlijk ook: info@webuplease.nl

donderdag 16 december 2010

De vuige vijand overwonnen

Voor mij ligt het verslag van het laboratorium dat mijn verwijderde nier aan een onderzoek heeft onderworpen. Terwijl ik het rapport nog eens overlees, moet ik onwillekeurig denken aan het boek ‘Op je kop in de prullenbak’ (Guus Kuijer) waarin verteld wordt over het huisbezoek van de meester van hoofdpersoon Madelief. Zij wil per se horen wat haar onderwijzer over haar heeft te vertellen en weigert naar haar kamer te gaan. Ze luistert stiekem het gesprek af, maar moeder en meester hebben haar door en gebruiken een soort geheimtaal waar Madelief geen touw aan kan vastknopen. ‘Och mevrouw, dat zullen we wel doorkantelen’ of ‘Madelief is een heel kikafonisch kind’.

In dezelfde categorie vallen zinnen als ‘de tumor is opgebouwd uit in velden en trabekels gelegen cellen met ruim helder cytoplasma’ of ‘rondom de nesten tumor en capillair netwerk, er is geen duidelijk papillomateuze groeiwijze’. Gelukkig zijn er ook in het ‘niet afwijkend nierparenchum nauwelijks gescleroseerde glomeruli ‘ aangetroffen.

En dat doet me dan weer denken aan de reclameslogan ‘gelukkig heb ik meer verstand van verzekeren’.

Er zijn mensen die begrijpen wat er bedoeld wordt, maar die hebben er dan ook voor doorgeleerd. Om kort te gaan: niets staat mij in de weg om gewoon net zo oud te worden als mijn ouders, ooms en tantes. De nier is er netjes uitgehaald en niets wijst erop dat het verdere schade aan het lijf heeft aangericht. Het voorstel van de patholoog luidt: stadiering pT1b (heb ik even opgezocht: ik kwam tot de volgende ontdekking: TURP-materiaal moet in eerste instantie worden ingesloten in acht cassettes. Het wordt aanbevolen resterend weefsel in te sluiten bij diagnose pT1a, maar dit is niet zinvol bij diagnose pT1b: wat een geruststelling!)

Dus kan ik me weer volledig richten op html-codes, hexadecimale kleurdefinities en actionscript, alsook op de ideale pixelverhoudingen en css-stijlen. Daarbij moet ik natuurlijk wel rekening houden met de juiste padding en margins, want anders ziet het er niet uit.

zondag 5 december 2010

De vuige vijand, deel 7

De naweeën van de operatie verdwijnen langzaam, maar niet zo snel als ik zou willen. Het lijkt erop dat het snelle, goed merk- en meetbare herstel van de eerste paar dagen gevolgd wordt door een langduriger periode waarin allerlei ondefinieerbare verschijnselen optreden die met de ingreep te maken hebben en die níet zo snel verbeteren.
Ik heb er gelukkig weinig ervaring mee, maar van alle kanten vertelt men mij dat de narcose altijd een flinke nasleep heeft: gauw moe, slechte concentratie, af en toe wat koortserig, last van opvliegers, weinig energie, enzovoorts.

Ik hoop maar dat de verschijnselen die zich bij mij manifesteren van voorbijgaande aard zijn. Vóór de ziekenhuisopname sliep ik als een marmot. Verder dan twee regels uit mijn boek kwam ik bij het inslapen vaak niet. Nu heb ik uiteraard nog last van de operatiewonden en kan ik me nog niet vrij bewegen, maar er speelt nog iets anders mee. Het komt erop neer dat ik gewoon ‘niet lekker lig’. M’n tactiele huishouding ligt als het ware ondersteboven. M’n kussen is veel harder dan ik me ooit heb gerealiseerd, ik voel de stevigheid van het matras en de stugheid van het dekbed. Alles voelt zwaar aan, m’n pens voelt beurs, evenals de rechterschouder waarop ik probeer te slapen. Ik heb moeite om m’n loodzware hoofd recht te houden, bij het typen van deze woorden vallen m’n handen regelmatig slap over de toetsen, bij het lopen is soms duidelijk sprake van knikkende knieën.

Kortom, ik ben er nog lang niet.

Daarnaast ben ik bang dat ik een nieuwe infectie heb opgelopen: sudokuvergiftiging. Voor de opname heb ik me bij Bruna een megamixbundel sudoku’s aangeschaft. Daarin staan naast de huis-, tuin- en keukenpuzzels ook samurais, killers, marathons, triathlons, chaossen, supers, double chaossen, twins, 13579’s, 2468-en, k-doku’s en X-en in. En met sudoku’s is het blijkbaar als met oliebollen: je kan er te veel van binnen krijgen.
Al mijn dromen ( inmiddels bijna nachtmerries te noemen) worden beheerst door hokjes en getallen. Hoe de verhaallijn van het gedroomde zich ook ontwikkelt, het gaat in de vorm van rasters met in te vullen cijfers. Het is moeilijk te omschrijven, maar dat het sudokuspook dit op zijn geweten heeft, is mij op een pijnlijke manier duidelijk.
Ik heb sudoku’s oplossen eigenlijk altijd wel een stupide tijdverdrijf gevonden, maar zag er tot op heden weinig kwaad in. Dat is nu dus wel anders. Bij het oud papier, dat boekje. Afkicken.

Wat ik uiteraard zoek is wat geruststellende woorden van ervaringsdeskundigen. Deze postoperatieve trauma’s: hoe lang duren die, wat kun je er aan doen, en wat moet je láten om er zo snel mogelijk vanaf te komen?

Reageren graag via de gebruikelijke kanalen. Ik ben benieuwd.
(Wordt wellicht vervolgd)

vrijdag 3 december 2010

De vuige vijand, deel 6

Omdat een hospitaal tot op heden altijd een ver-van-mijn-bedshow voor mij is geweest, heb ik ook nooit echt stilgestaan bij het beroep (zeg maar roeping) van verpleegster of arts. Een ziekenhuis is niet bepaald een plek waar de mens zich op zijn voordeligst kan tonen. Op mijn afdeling lagen eigenlijk alleen maar breek- en kwetsbare, zieke, zwakke en misselijke, dikke of juist sterk vermagerde, stinkende en lelijke mensen. Dan is het een hele prestatie dat het verplegend personeel elke keer bij binnenkomst de gehele kamer joviaal begroet, zonder in larmoyant medelijden te vervallen iedereen een hart onder de riem weet te steken, zonder afgrijzen bloederige en pussige verbanden verwisselt, katheters verwijdert of onwillige obesitaspatiënten vriendelijk en geduldig (hoewel inwendig waarschijnlijk kokend) ‘de les leest’.

Het is ook wonderlijk wat een psychologisch effect zo'n ziekenhuisverblijf heeft op een mens. Nu heb ik zelf maar drie dagen, (waarvan twee enigszins bij bewustzijn) ‘op zaal’ gelegen, maar zelfs dan al treedt er een zekere mate van het Stockholmsyndroom (het verschijnsel dat de gegijzelde sympathie voor de gijzelnemer krijgt) in werking. De man naast me heeft mijn hele verblijf nauwelijks een woord met me gewisseld, maar toch voel ik een soort band met hem. De dag van mijn vertrek heb ik hem zijn eerste zelfstandige oefeningen met een looprek (zijn rechteronderbeen is afgezet) zien doen en feliciteerde hem met zijn vooruitgang. Daarna heb ik hem even geholpen door een stoel en een kussen aan te geven, waarop hij zijn stomp te rusten kon leggen. Zowaar een intermenselijk moment.

Ik heb vele verpleegsters aan mijn bed gehad die allerlei medische handelingen met mij verrichtten. En hoewel er voldoende meiden tussen zaten die totaal mijn type niet waren, was ik binnen no time op allemaal verliefd. De lieve schommel Suzanne, die teder maar vakkundig zonder omhalen de katheter uit mijn verschrompelde penis haalde, de jonge ogenschijnlijk wat onervaren Marieke die me de eerste dag zonder ongeduldig te worden iedere keer weer bekertjes water aangaf, de avonddienstzuster, die ‘s ochtends zwarte piet had gespeeld en door de schminck wat huidschade had opgelopen, de nachtzuster die me de eerste nacht drie of vier keer de bloeddruk kwam meten, ik heb ze allemaal even lief … en ik zie ze waarschijnlijk nooit meer terug. (Alleen de nachtverpleger van de tweede nacht was een zwijgzame nurk(en hij had een snor, waar ik ook niet echt op val)).

Een ieder die dit leest en in het medische spectrum werkt: dank en hulde aan jullie allen. Ik neem mijn pet diep af en wens jullie allemaal een lang en heilzaam leven.

donderdag 2 december 2010

De vuige vijand, deel 5

Donderdagochtend 2 december. Dokter Knipscheer heeft mij vanochtend eervol ontslag verleend. Nog niet alles gaat automatisch. De koolzuurgassen die in m'n lijf zijn gespoten om ruimte te maken voor de kijkoperatie, veroorzaken nog de nodige last en verlaten slechts langzaam het lichaam. Normaal gesproken gaat dat via de gebruikelijke flatulentiekanalen, maar ik probeer de natuur een handje te helpen door ook via mijn oren, mijn oksels en zelfs via de pisbuis te boeren, al is dat laatste volgens zus M., arts te D., fysiek onmogelijk. Maar sinds deze ziekenhuiservaring hou ik op het gebied van het functioneren van het menselijk lichaam àlles voor mogelijk. (En dat gepruttel tijdens een van mijn plassessies moet toch wel op een of andere manier te verklaren zijn). Die koolzuurgassen zijn dus nog een probleem bij dit soort kijkoperaties. Misschien moet de uitvinder van de vacuvin zich eens over deze kwestie buigen.

Overigens lucht een goede wind behoorlijk op. Je gaat er een stuk rechter van lopen.

Mijn buurman (ik lig (bijna lag) op een tweepersoonskamer) ligt aan één stuk door te winden, ook als zijn bezoek er is. Overigens is dat een van de weinige geluiden die hij maakt. Van een diepzinnige praatsessie is het vooralsnog niet gekomen. Als hij praat, is het voornamelijk in zijn slaap, die doordrenkt is van de morfine in verband met een afgezet onderbeen. (ik mag in het geheel niet klagen).

De beide nachtrusten waren niet super. Van even lekker omdraaien is geen sprake. Deze exercitie, indien al mogelijk, neemt ruim drie minuten in beslag. En voor degenen die weten dat ik na een nachtelijk toiletbezoek nog even lekker op de buik neerlig moge het duidelijk zijn dat dat ook nog even tot de onmogelijkheden behoort. Tot zover mijn slaapkamergeheimen.

Op de website van het Scheper Ziekenhuis staat dat het over een uitstekende keuken bezit. Nu moet ik zeggen dat, ondanks het feit dat het misschien voldoet aan minimale voedingsrichtlijnen, de vermelding in de Lekkergids vermoedelijk nog wel wat op zich zal laten wachten. Nu ben ik thuis erg verwend (iets waar ik, al zeg ik het zelf, mijn steentje aan bijdraag), maar spruiten 25 minuten koken, kan volgens mij echt niet meer.
Een te ontginnen gebied voor de Keuringsdienst van Eetwaren.

Een ding van de zo korte opname is wel jammer: ik heb mijn nieuwe pyjama nog niet aangehad.

Het is bijna tien uur. Ik ga G. sms-sen, dat ze me mag komen halen.

maandag 22 november 2010

De vuige vijand, deel 4

Even de laatste details.

Blijkbaar willen ze er vaart achter zetten, voordat de tumor nog groter wordt: ik word zowaar 30 november al geholpen. Vanaf maandagmiddag 29 november ben ik dus voor een paar dagen (zeg maar tot het weekend) niet beschikbaar.

Zodra er iets nieuws te melden valt, zal ik het als bericht op dit blog plaatsen. Nu maar even wat radiostilte.

woensdag 17 november 2010

De vuige vijand, deel 3

Als iemand me twee weken geleden had gevraagd hoe ik me voelde, zou ik zonder aarzelen (met de bekende Walteriaanse stembuiging) 'goe-hoed' gezegd hebben. Dat antwoord geeft mijn moeder steevast als ik haar aan de lijn heb. Dat goe-hoed betekent eigenlijk dat het wel gaat, gezien de omstandigheden; ze vindt nu eenmaal dat ze niet veel meer mag verwachten van het leven als je de 90 gepasseerd bent. Je kunt niet veel meer, alles wordt minder, de wereld wordt kleiner en kleiner, omdat er steeds meer mensen rondom wegvallen. Toch is het bewonderenswaardig hoe mijn beide ouders omgaan met die situatie. Als je niets meer van het leven verwacht, kan het ook niet tegenvallen en ben je blij met al het positieve dat in je schoot wordt geworpen.

Misschien zit die houding ook wel een beetje in mijn genen. Ik zou op bovenstaande vraag op dit moment nog steeds 'goed' antwoorden, maar onwillekeurig wel met een achterliggende gedachte. Want het zou zomaar ineens ook slecht met me kunnen gaan. Sinds ik weet van de tumor let ik meer op kleine signalen van m'n lijf dan daarvoor. Sterker nog, je begint ineens allemaal pijntjes te voelen, die je daarvoor niet had. Heel natuurlijk, maar onvermijdelijk. Gelukkig heb ik nog voldoende om m'n aandacht af te leiden. Ik werk gewoon door, ik doe mijn kookbeurten en af en toe moet het huis ook schoongemaakt worden. Toch is er een verschil. Toen ik nog voor de klas stond en ik een keer met griep of iets dergelijks thuis bleef, was ik in staat om te 'genieten' van m'n ziek zijn. Ik had hooguit wat zorgen over of mijn vervanger de klas wel aankon of zoiets zots, maar ik kon er gewoon vanuit gaan dat het sociale vangnet zijn werk zou doen. Nu voel ik me helemaal niet ziek, maar ik zit wel in een molen van ziekenhuisbezoeken die veel tijd kosten. En hoewel ik me goed voel, ben ik toch geneigd om mezelf een beetje te gaan zitten 'pamperen', terwijl eigenlijk het werk gewoon door moet gaan.

Het gesprek met de oncologisch verpleegkundige heeft niet veel nieuwe inzichten opgeleverd. Het is nu een kwestie van afwachten - de tijd gaat snel, dus dat zal vast wel lukken - en geen zware kratten bier sjouwen. En ik neem me voor om me goed ( en niet 'goe-hoed') te blijven voelen.

En ondertussen ...
begint het in de PVV steeds meer te rommelen. Nu is er een lid dat beweerd heeft schoolhoofd te zijn geweest. Dat is niet het geval en dat heeft hij ook toegegeven, maar 'Als ik het had geambieerd, had ik het wel kunnen zijn, want ik heb m'n diploma's'. Knettergek. En Rutte vindt blijkbaar net als Machiavelli dat het doel alle middelen heiligt. Zolang de meerderheid van 76 zetels gegarandeerd is, mag de PVV zelf uitmaken wat voor een mensen het binnen zijn gelederen heeft. Knettergek in het kwadraat.

dinsdag 16 november 2010

De vuige vijand, deel 2

Gisteren half Nederland afgereisd. Eerst naar Delft, op aanraden van zuslief die daar als arts werkt en de uroloog van het RDGG heeft aanbevolen. De afstand van Ruurlo naar Delft moet normaal gesproken in ruim anderhalf uur afgelegd kunnen worden, maar op maandagochtend kost dat toch bijna een uur meer, waardoor we nog maar net op tijd op onze afspraak waren.

Na het hypermoderne Gelre ziekenhuis in Zutphen was het in Delft wel even slikken. De patientenregistratie duurde gauw tien minuten, terwijl dat in Zutphen een kwestie van een halve minuut was. De wachttijd in Delft was een halfuur, in Zutphen was het hele afsprakensysteem zo efficient geregeld, dat je precies wist waar je aan toe was. Daar waren de wachttijden minimaal en de planning liep nauwelijks vertraging op.

Overigens was de klantvriendelijkheid in Delft net zo goed als in Zutphen. Ik ben goed geholpen en goed geadviseerd. Uiteindelijk leek het de dienstdoende uroloog toch verstandiger gezien het formaat van de tumor om me door te sturen naar Emmen, waar de expert op het gebied van laparoscopische nieroperaties zetelt : 8 centimeter is eigenlijk op of net over de grens van wat laparoscopisch beschouwd nog verantwoord is. Dan is het beter om de topexpert in te schakelen. Hij was zo attent om gelijk naar deze Ben Knipscheer te bellen en kreeg het voor elkaar dat ik gelijk deze middag in Hardenberg bij hem terecht kon.

Weer de auto in voor een volgende reis van bijna twee uur. Bij dokter Knipscheer (nomen est omen) kregen we hetzelfde verhaal te horen: kwaadaardige tumor, netjes ingekapseld, voor zover zichtbaar geen uitzaaiingen, goed te opereren, wel een joekel, maar nog wel met een kijkoperatie te doen. '2 december is er waarschijnlijk plek, maar dan moet ik nog wel even contact opnemen met m'n collega in opleiding, want die wordt vast boos, als ik zonder haar zo'n grote jongen eruit haal.'

Ik kwam niet toe aan m'n vragenlijstje, maar dat lukt morgen waarschijnlijk wel als ik bij de oncologische verpleegkundige moet aantreden. Zo ben ik bijvoorbeeld erg benieuwd of ik m'n laptop mee mag nemen en of er in de boekhandel van het ziekenhuis goeie sudokubundeltjes verkocht worden. Want je moet je dag wel doorkomen in zo'n ziekenhuisbed.

En ondertussen ...
lezen we in de krant dat meneer Lucassen mag blijven, ondanks dat hij jokkie-jokkie heeft gedaan tegen zijn baasje. Vanochtend op de radio werd aan de auteur van 'Wilders, de tovenaarsleerling' gevraagd hoe het toch komt dat de PVV dit soort mensen aantrekt. Het antwoord was dat mensen zonder een strafblad dat graag zo willen houden, maar ook dat kritische mensen die willen toetreden geweerd worden. Wilders eist absolute loyaliteit aan de leider. Waar heb ik dat toch eerder gehoord?

zondag 14 november 2010

De vuige vijand, deel 1

De boodschap dat er een kwaadaardig gezwel in je lijf zit, zorgt ervoor dat je je leven ineens in een heel ander perspectief ziet. Vreemd genoeg was m'n reactie op de mededeling van de uroloog - die wel empatisch maar tegelijkertijd ook zeer zakelijk zijn verhaal deed - vrij laconiek en gelaten. En hoewel ik nu, drie dagen later, aan weinig anders kan denken, ben ik nog steeds niet echt in paniek. Zoals zo vaak treedt er een mechanisme in werking dat je van een bepaalde gebeurtenis de positieve kant ziet. Toen de laatste serieuze aspirantkoper van ons huis voor een andere woning had gekozen, waren we opgelucht. Stel je voor, al die rompslomp van verhuizen. We willen eigenlijk helemaal niet weg hier. Aan de andere kant, als ons huis wel verkocht zou zijn, zouden we ons verheugen op een nieuw leuk huis, met alle mogelijkheden vandien.

Er bestaat een prentenboek - de titel is mij ontschoten - waarin wordt verteld over een man (het kan ook een dier geweest zijn), die voortdurend wordt geplaagd door kleine ongelukjes. Die kleine tegenslagen behoeden hem echter steeds voor grotere rampen. En iedere keer roept hij weer uit:'Wat een geluk, dat (bijvoorbeeld) die tak bovenop mijn hoofd viel, anders was ik zeker door de bliksem getroffen, en dat zou veel erger geweest zijn!'

Zo werkt het dus en zo voel ik het ook. Ik mag van geluk spreken dat deze kanker bij toeval is ontdekt en dat het zo op het eerste gezicht goed te behandelen is. Ik houd mezelf voor dat ik na de operatie weer als nieuw ben. Een mens kan goed leven met een enkele nier, zoals een vliegtuig ook met één motor nog een aardige landing kan maken.

De gesprekken in huis nemen een andere wending. Het is zoals partner G. zegt: de vuige vijand is ook in ons leven binnengedrongen. En je moet het ermee doen. Er zijn zoveel mensen die er ook mee te maken hebben, waarom zouden wij de dans ontspringen? Je kijkt onwillekeurig terug op je leven en komt tot de conclusie dat je het niet eens zo slecht gedaan hebt en dat je veel geluk hebt gehad, veel mooie dingen hebt meegemaakt, vriendschappen hebt gesloten en taken hebt vervuld. Tegelijkertijd ga je ervanuit dat het nog lang niet afgelopen is. De vooruitzichten zijn op zich bemoedigend, de tumor ziet er netjes ingekapseld uit en er zijn zo op het eerste gezicht geen uitzaaiingen, maar je weet het natuurlijk nooit. De operatie zal door een gerenommeerde uroloog gedaan worden. Als het even meezit via een laparoscopie (je leert tussen neus en lippen door nog wat nieuwe woorden erbij), anders via een open operatie. Vier dagen in het ziekenhuis, vier weken revalideren, maar werken zal vermoedelijk wel gaan.

En ik krijg eindelijk weer eens een nieuwe pyjama.

Wordt vervolgd.

zaterdag 13 november 2010

Nieuwe ziekenhuizen

Kort geleden heb ik mogen kennismaken met het nieuwe Gelre ziekenhuis in Zutphen. Een waarlijk inspirerende ervaring, zo efficiënt als daar de zaken geregeld zijn. Dat ondanks die efficiëntie de klantvriendelijkheid niet is ondergesneeuwd, mag als een compliment opgevat worden. En dat er ook nog eens is nagedacht over een prettige vormgeving van bijvoorbeeld het meubilair en de kleuren van vloerbedekking en muren, is ook mooi meegenomen.

Voor het onderzoek dat plaats zou vinden, moest ik behalve een verwijsbrief en een overzicht van de gebruikte medicijnen ook een identiteitsbewijs meenemen. Het was alweer heel lang geleden dat ik een ziekenhuis van binnen had gezien, dus ik was reuze benieuwd hoe een en ander tegenwoordig geregeld is.

In de aankomsthal staat een viertal aanmeldingspalen opgesteld, waarop je via een beeldscherm geïnstrueerd wordt. Je moet je rijbewijs of paspoort op een glazen plaat leggen, je identiteit wordt herkend en op het scherm wordt gevraagd of je inderdaad die en die persoon bent. Na bevestigend te hebben geantwoord (groene knop) word je vriendelijk gedag gezegd: Goedemorgen, meneer Walter, u heeft om 9:00 uur een afspraak met dokter Huppelepup op afdeling zoveel. Neem uw bonnetje uit de lade en volg route 1.21. Uiteraard lopen er wel verscheidene mensen te patrouilleren om de patiënt in spe te helpen als die er niet helemaal zelf uitkomt.

Op de afdeling waar je naartoe gestuurd bent, zit een secretaresse die je eventueel verder kan helpen en hangt er een volgende scanner die je bonnetje bekijkt en via het beeldscherm meldt: Goedemorgen, meneer Walter, gaat u rustig zitten, binnen 7 minuten wordt u gehaald.

Vooral dat ‘goedemorgen, meneer Walter’ stelt een patiënt op z’n gemak. Gedurende de zeven minuten dat ik heb zitten wachten heeft de scanner in kwestie alleen maar positieve reacties mogen ontvangen. De meeste mensen blijken gewoon ongegeneerd terug te praten tegen zo’n machine.

Een opvallend detail in de vormgeving van het interieur vond ik de balies: die waren gemaakt van een soort verend rubber, het soort dat op schoolpleinen onder schommels en klimrekken wordt neergelegd. In kek paars uitgevoerd . Blijkbaar heeft het ziekenhuis ervaringen met mensen die niet onzacht met zo’n balie in aanraking zijn gekomen en probeert het op deze manier het aantal schadeclaims te beperken.

Overigens zal ik de komende tijd wel wat vaker en meer ziekenhuizen van binnen gaan bekijken. In het Gelre Ziekenhuis kwam ik voor een MRI-scan in verband met wat vage, maar hardnekkige rechterbilklachten. Op die scan (alweer een scan) was niets te zien wat die rugklachten afdoende kon verklaren. Wel was men niet gerust op een vlek bij de linkernier. Voor de zekerheid gelijk toch nog maar even een CT-scan en een spoedafspraak met de uroloog erachteraan.

En inderdaad, een week later vertelt de uroloog dat er op de linkernier een kwaadaardig gezwel van acht centimeter is aangetroffen en dat die nier er dus uit moet.

(Wordt vervolgd)

dinsdag 9 november 2010

Mooie fotovoorstellingen op je website

Het wordt steeds gemakkelijker om op een website een mooie fotopresentatie te geven. Er zijn bedrijven die zich specialiseren in het ontwerpen van zogenaamde 'skins', waarin het fotomateriaal op een bepaalde gelikte manier wordt getoond: als een 'gewone' diavoorstelling, maar ook als carroussel, een driedimensionele toren of een ex- of imploderend thumbnailoverzicht. Steeds weer worden er nieuwe skins met namen als 'imageflow', 'bananalbum' of 'pageflip' aan de verzameling toegevoegd.

Ik heb het hier over het programma J-album. Het concept is even simpel als doeltreffend. De software van J-album moet worden gedownload. De foto's van de gebruiker moeten naar een bepaalde map gesleept worden en de gebruiker kan dan zelf het uiterlijk van de voorstelling bepalen. Het programma is zeer gebruikersvriendelijk. Je kunt als je wilt op vrij eenvoudige wijze nog wat persoonlijke instellingen wijzigen. Een kwestie van de gegevens uploaden naar de server en er rolt een prachtige fotovoorstelling uit. Je krijgt de url er gratis bij. Deze url kun je aan je familie en vrienden sturen en iedereen kan meegenieten.

Inbedden in een eigen website is vrij eenvoudig. Een bepaalde code op de juiste pagina plaatsen is voldoende. Gelukkig voor mij als webdesigner zijn er nog veel mensen die dat nog een brug te ver gaat.

Het toevoegen en wijzigen van foto's is erg eenvoudig. Inloggen bij je account, de juiste voorstelling openen en foto's toevoegen, verwijderen of wijzigen. Opnieuw naar de server uploaden en 'Bob's your uncle'.

Voor wie dit verhaal nog net effe te hoog gegrepen is, kom ik het graag een keertje uitleggen. Het programma J-album is gratis voor de gewone niet-commerciele gebruiker, de uitleg duurt hooguit een half uurtje, en dat kost dan niet meer dan vijfentwintig eurootjes (excl. btw en reisgeld).

Voor wie wat voorbeelden zien van werkende J-albumfotovoorstellingen kan terecht op www.webuplease.nl/presentatie_jalbum/index.html. Daarna kun je bellen of mailen. Contactinformatie staat op www.webuplease.nl

dinsdag 2 november 2010

Mulisch

Na z’n dood zijn Mulisch’ boeken niet aan te slepen. De uitgever dacht dat hij voldoende exemplaren op de plank had liggen, maar dat blijkt een misvatting te zijn. Die koopdrift is waarschijnlijk uit te leggen als een soort postume verontschuldiging:
‘Het spijt me dat ik je niet heb gelezen toen je nog leefde’. Dat gevoel heb je nu eenmaal als er iemand gestorven is: dan heb je wroeging over het feit dat je hem of haar niet wat vaker hebt opgezocht of dat je de laatste keer dat je hem/haar zag niet erg aardig bent geweest.

Op de middelbare school heb ik een keer een werkstuk over Harry Mulisch geschreven. Dat was riskant, want Mulisch werd gezien als een moeilijke, onaangepaste schrijver. Zelf was ik een recalcitrante puber, die het ook nog eens hoog in de bol had, dus een werkstuk over Mulisch leek me een passende keuze.
Hierboven schreef ik dat ik een werkstuk over Mulisch heb geschreven. Dat is niet helemaal waar. Het moet zijn: ik heb een werkstuk over Mulisch overgeschreven. De broer van een vriendin - ik denk dat ik het nu wel wereldkundig mag maken - Paul van Heugten genaamd, had ooit over Mulisch geschreven en dat werkstuk was door de leraren Nederlands goed ontvangen. Ik weet niet meer of Paul op dezelfde middelbare school zat als ik, maar blijkbaar werd ik niet gehinderd door enige scrupules en nam ik het risico om betrapt te worden op de koop toe. (Nu realiseer ik me dat Paul van Heugten het werkstuk zelf misschien ook wel heeft gekopieerd)

Uiteraard heb ik wel een paar boeken van Mulisch gelezen voordat ik het werkstuk heb ingeleverd. Ik herinner me dat ik Archibald Strohalm, Het Stenen Bruidsbed en Voer Voor Psychologen heb doorgeworsteld. Van het laatste boek (natuurlijk het stoerste) begreep ik overigens geen biet. En ook de diepere lagen die in Het Stenen Bruidsbed blijken te zitten, heb ik niet als zodanig herkend.

Ik zou absoluut niet meer kunnen zeggen wat er in het werkstuk stond. Op een goeie dag heeft de leraar Nederlands de werkstukken besproken en teruggegeven. Tegen mij zei hij (en dat weet ik nog wel heel goed) dat hij het een heel goed werkstuk vond, maar dat er een bronvermelding ontbrak. Hij zou me een 9 geven als ik die bronvermelding nog zou toevoegen. Als ik dat niet deed, zou het werkstuk slechts een 8 waard zijn. Ik hoefde niet lang na te denken: ik nam genoegen met een 8.

Ook ik ben van plan om Mulisch’ werk te gaan herlezen, al is het alleen maar om niet het gevoel te hebben dat ik iets heb gemist. De hele wereld is lyrisch over zijn schrijverschap, dus zal er wel iets van waarheid in zitten.

Mulisch beschouwde zichzelf als de Grote Een. Ik mag dat wel, die zelfspot en die gespeelde arrogantie. Ik geloof Jan Mulder, die zegt dat Mulisch een ongelooflijk aimabele man was, maar mensen door zijn gedrag op een afstandje wilde houden om tijd over te houden om te doen wat hij blijkbaar het liefste deed: schrijven.

Laten we hopen dat Mulisch niet hetzelfde lot zal ondergaan als grote schrijvers als Vestdijk of Louis Paul Boon. Auteurs die vlak na hun dood nog even flinke verkoopcijfers halen, maar langzamerhand worden vergeten.

Onderstaande link heeft niet veel met Mulisch te maken en toch ook weer wel: Mulisch beschouwde zichzelf een beetje als het centrum van het universum. Dat hij dat waarschijnlijk niet is, probeert het volgende filmpje te laten zien.

http://htwins.net/scale/index.html

dinsdag 26 oktober 2010

De verpakking

Echt belangwekkend is het niet, maar af en toe kom je in het dagelijks leven iets tegen dat enerzijds vragen oproept over het nut en de noodzaak en anderzijds bewondering opwekt voor degene die het heeft uitgevonden.

Zo heb ik van de week een nieuw apparaat aan mijn kantoorverzameling toegevoegd. Het ding was keurig verpakt in een kartonnen doos met een gelikte foto op de voorzijde en een handig draaghendeltje. Niks nieuws onder de zon.

Bij het uit de doos tillen van het apparaat viel me al op hoe ingenieus het was ingepakt. Normaal gesproken rust het voorwerp (in dit geval een drie-in-een-scanner) in een bedje van een soort piepschuim, dat perfect de vormen van het apparaat volgt en waarin dat apparaat dus klemvast en schokvrij vervoerd kan worden. Hoewel ik de mogelijkheden om het afvallige piepschuim opnieuw te verwerken tot nieuwe materialen niet kan inschatten, leek het me toch een aardig systeem. Maar blijkbaar staat de ontwikkeling van inpakmateriaal niet stil.

Voor de doos van mijn nieuwe scanner heeft een ware liefhebber van ruimtelijke vormgeving en driedimensionale meetkunde zich behoorlijk uitgeleefd. De gedachte erachter zal ongetwijfeld te maken gehad hebben met het feit dat al het opvulmateriaal (want meer is het ogenschijnlijk niet) van karton gemaakt, dus recyclebaar is, dat het gewicht van de doos economisch meer verantwoord is en dat de ruimtes die bij het vouwen ontstaan, prettig gevuld kunnen worden met kleine onderdelen en allerhande snoertjes.

Toen ik nog voor de klas stond, had ik als onderdeel van de technieklessen voor de kinderen een opdracht gemaakt om een opvouwbare opbergdoos van bijvoorbeeld Ikea te analyseren en op kleinere schaal na te bouwen. Een taak die veel kinderen leuk vonden om te doen, maar die ook knap moeilijk bleek te zijn. Het doet een behoorlijk beroep op rekenkundig vermogen, nauwkeurig werken en ruimtelijk inzicht. Wat de kinderen moesten (na)maken was een uit één stuk karton bestaande vorm met wat gerilde vouwlijnen en met lipjes die in gleufjes moesten passen om het geheel bij elkaar te houden en waardoor het geheel een bepaalde stevigheid kreeg.

Nu het verpakkingsmateriaal van de scannerdoos. Het is een waar kunstwerk. Een van de twee hoekelementen bestaat inderdaad uit één stuk karton, maar daar houdt de gelijkenis met mijn bescheiden techniekdoos dan ook op. Op allerlei plaatsen zijn er in het karton gaten gestanst, vouwlijnen geritst, en flapjes, lipjes, randjes en klepjes gefabriceerd. Eenmaal in elkaar gevouwen is het een vierkante kartonnen pilaar met vakjes, uitsparinkjes, dwarsverbindingen en steunberen waar je met gemak een worstelaar van 150 kilo op kunt parkeren (bij wijze van spreken dan). Het bouwsel biedt inderdaad plek aan snoertjes, stekkertjes, cd-rommetjes, verloopstukjes en adaptertjes en weegt nagenoeg niets.

Je vraagt je af wie in staat is om zoiets uit te vinden. Welke vooropleiding is hiervoor vereist en in welke salarisschaal zit deze uitvinder? En als je zo’n mal hebt ontworpen, ben je er nog niet. Er moet een machine ontwikkeld worden die in staat is al die vreemdvormige stukken karton uit te snijden en exact op de juiste wijze te stansen, voor te vormen en te vouwen. Want dat moet wel gezegd: als je zo’n stuk karton eenmaal hebt uitgevouwen, is het een hele puzzel om hem weer in elkaar te zetten. Dat laatste heeft me meer tijd gekost dan het schrijven van dit stukje.

donderdag 23 september 2010

Neuspeuteren

De (veronder)stelling dat het opeten van de opbrengst van je eigen neuspeuterbezigheden gezond is, heeft de Kolderbokaal gewonnen.
Het was voor het eerst dat ik las over het bestaan van deze prijs. De bedoeling van deze onderscheiding is duidelijk. Laat je gedachten maar eens flink de vrije loop en laat je verleiden tot het niet bewandelen van de gebaande paden. Een idee kan niet maf genoeg zijn; als je de wetenschap er op loslaat, zouden er zomaar relevante toepassingen uit kunnen rollen. En hoewel de ideeën een serieuze component in zich moeten hebben, richt de aandacht zich toch vooral op het lachwekkende karakter van de onderzoeksvoorstellen.

Neuspeuteren vind ik op zich al gezond. Er gaat iets rustgevend van uit. Misschien is het wel beter het niet al te opzichtig te doen (en zeker in een groot gezelschap of een klas vol met kinderen), maar als ik in m’n eentje ben, leef ik me met veel enthousiasme uit. Het consumeren van het resultaat gaat me echter te ver. Als ik Wim Steman (de winnaar van bovengenoemde prijs) moet geloven, is het feit dat ik dat nalaat wellicht de oorzaak van mijn zwakke afweersysteem.
Mocht het onderzoek inderdaad de veronderstelde uitkomst hebben, voorzie ik naast de lessen gezond gedrag, hoe poets ik mijn tanden, hoe bedien ik het navigatiesysteem in een auto en wat is de slimste manier om 56732 te delen door 143, ook een stimuleringsprogramma neuspulken, met voor de diehards een vervolgcursus ‘bullebakken eten’.

Een ander onderzoeksvoorstel, dat een eervolle vermelding kreeg, ging over het corrigeren van de toetsen van kinderen. Het gebruik van een groene in plaats van een rode pen zou wel eens een positieve invloed hebben op de motivatie. Wat mij betreft oud nieuws, want dat doet volgens mij half onderwijzend Nederland al. Ik weet echter niet zeker of het ooit wetenschappelijk is onderzocht. Zelf had ik altijd een broertje dood aan het nakijken van het werk van de kinderen. Het gebruik van een groene pen maakte voor mij geen bal verschil. Het aantal krulletjes in het gecorrigeerde werk was voor veel kinderen (met name meisjes) veel belangrijker dan de kleur van de gebruikte pen. En als je veel strepen hebt, maakt het volgens mij ook weinig uit of die strepen rood, groen of pimpelpaars met een goud randje zijn. Strepen zijn strepen, en die motiveren sowieso niet.
Maar nogmaals, wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt voor zover ik weet, dus mevrouw Boerefijn (van het voorstel) mag wat mij betreft haar gang gaan.

Hierbij wil ik ook graag een duit in het zakje doen. Een beetje laat, maar misschien kan ik meedoen aan de verkiezingen van volgend jaar.

Mijn stelling (we blijven in de sfeer van rood): kinderen met rood haar leveren mindere (school)prestaties dan kinderen met een andere haarkleur. Door hun rode haar staan ze vaak alleen, worden geplaagd of gepest, worden depressief, gaan minder presteren, worden voor dom versleten, en gaan nog minder presteren. Zo klaar als een klontje.
Of misschien is het wel omgekeerd: kinderen met rood haar leveren betere prestaties: ze dragen hun haar met trots, zijn blij te behoren tot een minderheid en putten daar kracht uit. Ze voelen zich speciaal, want rood haar is prachtig.
Ik ga nog even door: kinderen die een leerkracht met rood haar hebben, leveren mindere prestaties dan kinderen die een juf of meester met ‘gewoon’ haar hebben. Of: kinderen met rood haar zijn gebaat bij een meester of juf met rood haar. Of: de toename van het geweld in de samenleving in het algemeen en de debilisering van de programma’s op de Nederlandse televisie in het bijzonder is omgekeerd evenredig aan de afname van het aantal roodharigen in Nederland. Zo op het eerste gezicht totaal onzinnig, maar we weten niets zeker voordat het wetenschappelijk is bewezen of weerlegd.

Als je eenmaal begonnen bent, is de stroom ideeën niet meer te stoppen. Die prijs kan me volgend jaar niet meer ontgaan.

zaterdag 11 september 2010

Geen kop en geen staart

Gisterenavond realiseerde ik me ineens dat het weekend alweer voor de deur stond, terwijl ik het gevoel had dat het vorige nog niet eens was afgelopen. De dagen rijgen zich in een duizelingwekkende snelheid aaneen en ze lijken allemaal op elkaar. Het enige verschil tussen doordeweekse en de weekenddagen is dat er op zater- en zondag vlees dan wel vis + wijn op tafel komt. Op zich voldoende reden om naar het weekend te verlangen, hoewel de werkdagen ook hun charme hebben omdat je op die dagen ongestraft acht uur achter je computer mag zitten zonder dat je door een schuldgevoel van ‘werk je ook al in het weekend?’ gekweld wordt.

Ruurlo stort zich dit weekend op de jaarlijkse septemberfeesten. Optochten, versierde straten, buurtbarbecues, zeskampen, biertappen op zo’n beetje elke hoek van het dorpsplein en feestterrein. Het gaat allemaal langs me heen, het is niet aan mij besteed.

In het Volkskrantmagazine van dit weekend staat een interview met de bloedmooie (blond haar, groene ogen) schrijfster Marion Pauw. Een van haar uitspraken is dat veel van de mannen die zij kent zo ongelooflijk saai zijn. Bij het lezen daarvan bekruipt mij dan gelijk de gedachte: zou ze dat ook van mij denken.

Regelmatig verzuchten G. en ik na een copieus maal (vanavond - 11 september - hebben we in een zonovergoten tuin gegeten) - vrij naar Van’t Reve: ‘en nu rustig wachten tot de dood intreedt’. Waarna we giechelend van de soldaat gemaakte wijn tot de conclusie komen dat we het nog zo slecht niet hebben. Dan slaat de stemming ineens om bij de gedachte dat die mallotige Wilders vanavond zijn speech in New York gaat houden. Als dat maar goed gaat.

Gelukkig verdrijft het gesprek over de boeken die we momenteel aan het lezen zijn die sombere wolk weer. Ik ben zelf weer (voor de derde keer) bezig met ‘Surrogaten voor Murk Tuinstra’ waarin Vestdijk op onnavolgbare wijze de vriendschappen van de jonge Anton Wachter beschrijft. Het is zo mooi omdat het zo herkenbaar is en omdat Vestdijk in zulke rijke taal de beleving van een jongen van acht jaar weet te beschrijven zonder kinderachtige taal te gebruiken. Ineens roept G. uit dat ik gewoon ook een Anton Wachter ben! Ik was ook zo’n jongen met onbereikbare liefdes, met Kees-de-jongen-fantasieën, bevliegingen en rivaliteiten. En wederom liggen we giechelend onder tafel.

Ze heeft gelijk.

zaterdag 21 augustus 2010

Een goed boek

De cover
Als mensen in een boekhandel een mooi boek zoeken, kijken ze in eerste instantie veelal naar de omslag. Hierover zegt Grietje Braaksma van de AKO-boekenketen (12-02-2010, De Volkskrant):
‘Hoeveel naakte vrouwenruggen kan een boekinkoper verdragen’. In haar baan ziet ze duizenden covers per jaar voorbij komen. En tientallen modetrends op het gebied van boekomslagen: ingezoomd op de ogen, met vlinders, kinderen, steigers of goudvissen, en met veel, heel veel, ontblote vrouwendelen. Beschaafd bloot, dat wel. Maar zelden een vrouw compleet, vooral in het spannende genre. Een been, een rug, een arm, lippen, altijd op een zwarte omslag.

Een cover, zegt Braaksma, is heel erg belangrijk. Een cover is ook heel erg onbelangrijk.’ Einde citaat.

De titel
Over het algemeen zal een schrijver (m/v) wel enige zeggenschap over een cover hebben, maar zal hij zich toch moeten overgeven aan de kwaliteiten van de ontwerper. Ook de titel van het boek is een belangrijk facet bij het kiezen van een te kopen boek. Daar heeft een schrijver vermoedelijk meer invloed op, al zal een uitgever hem daar uit commercieel oogpunt ook wel in bij willen staan.
Het valt niet mee om een goede ladingdekkende titel voor een boek te verzinnen. In ‘Onze Taal’ heeft een mooi artikel gestaan over de ideale boektitel (no. 10- 2006). Enkele boektitels die er wat mij betreft uitspringen zijn Onder het plaveisel het moeras (A.F.Th. van der Heijden) en Honderd jaar eenzaamheid (Gabriel Garcia Marquez). Het is waarschijnlijk geen toeval dat deze boeken ook nog eens zijn geschreven door ‘grote jongens'.

Een goede titel is niet altijd een garantie voor een goed boek. Andersom geldt het evenmin. Ik ben niet wild van de titel Dorsvloer vol confetti. Het doet mij te veel denken aan de kinderboeken van Francine Oomen of Jacques Vriens, hoezeer ik die twee ook waardeer in hun vakmanschap. Ook de omslag (een portret van een mooi, blond meisje) heeft zo op het oog weinig te maken met de inhoud of de hoofdpersoon.

De beginzin
Waar een schrijver wel invloed op heeft, is de beginzin van de roman (novelle, kort verhaal, vul maar in). En aan die beginzin zie je vaak of de schrijver zijn vak verstaat, of hij het taalgevoel heeft dat de lezer aanspreekt, of hij de rijkheid van de taal volledig weet te benutten.

Een paar mooie voorbeelden:
‘Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendia denken aan die lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs.’ (Honderd jaar eenzaamheid)
‘Catastrofes treden zelden in hun eentje op. Het liefst overvallen de je in groepsverband. Ze trommelen elkaar op en kondigen elkaar aan: de ene ramp is jobsbode namens de andere.’ (Vallende ouders)
‘Terwijl achter de toonbank het meisje de okkernoten met handenvol op de koperen schaal liet kletteren, deed hij, belangstelling voor het weegwerk veinzend, een pas voorwaarts, en bleef zo, licht voorovergebogen, staan in een houding van half galante opmerkzaamheid.
Nerveus lachend keek zij naar hem op.
‘Voor hersenvoedsel wordt dat misschien wat te veel,’ zei hij, met enigszins lispelende stem, ‘maak er maar anderhalf ons van, en geef me voor de rest’- nu wees hij op het geld, dat al op de toonbank lag - ‘een paar repen, bitter en vanille.’ (Ivoren wachters)
Veel meer dan op de omslag en op de boektitel zou de boekenkoper dus moeten letten op de eerste zin of alinea van een roman.

Dorsvloer vol confetti
De laatste keer dat ikzelf werd gegrepen door de eerste woorden betrof de reeds genoemde roman Dorsvloer vol confetti van Franca Treur. Een juichend ontvangen debuut. En als je de eerste alinea leest, voel je gelijk aan waarom:
’s Winters zijn de zondagen het snelst voorbij. Als de dominee om vier uur de middagdienst afsluit met de zegen voor weer een hele week, vliegen ze alle zeven naar het fietsenkot. ‘Om de poten te breken,’ zegt de vader. ‘Daar komen nog eens ongelukken van.’ Dat zegt hij altijd: ‘Daar komen nog eens ongelukken van.’ Net als: ‘Als je brokken maakt, ik betaal niks hoor.’
Het gaat erom wie het eerst thuis het klinkerpad op rijdt. De eerste noot van het uitleidend orgelspel geldt als startschot. Omwille van het fatsoen wordt de etappe van de kerkbank naar het fietsenkot nog snelwandelend genomen, maar eenmaal op de fiets zijn er geen beperkingen meer. Dan gaat het slalommend door het uitwaaierende kerkvolk, langs mannen in pak en vrouwen met vrome gedachtes, langs kleine meisjes die bang voor hun wielen opzij springen, langs opgeschoten jongens die niet te beroerd zijn om hen uit evenwicht te brengen.’

Even verder staat een zin die wat mij betreft in z’n eentje al een gedicht vormt: ‘Op het wegje waar ze aan wonen waait het altijd.’

Geen woord te veel. Elke zin lijkt op een goudschaal gewogen. Het boek staat vol met kleine pareltjes, soms lachwekkend (Schiet eens op: de dag is geen kakstoel!), soms vertederend (Katelijne aarzelt, wetend dat dit soort glimlachjes nooit gratis zijn) soms ronduit hilarisch (Ze vermoedt dat hij met zijn mond open slaapt voor het geval zijn vrouw nog met een overschotje zit).

Het is opmerkelijk dat het boek van Franca Treur dezelfde beklemmende gereformeerde vijftigerjarensfeer heeft die we kennen uit het werk van Maarten 't Hart, Jan Wolkers en Hans Warren, terwijl ze zelf pas in 1979 geboren is. Daarnaast is 'Dorsvloer vol confetti' ook herkenbaar voor haar eigen generatie: ze heeft het over uitgaan naar de disco, compact discs en meer eigentijdse verschijnselen. De twee botsende tijdbeelden maken het boek nog weer extra interessant in het rijtje van bovengenoemde schrijvers.

maandag 16 augustus 2010

Linkse hobby

De kabinetsformatie lijkt in een beslissende fase te zijn aanbeland. Ondanks alle protesten en bezwaren van prominente CDA- en VVD-politici werken Rutte, Verhagen en Wilders onverdroten voort aan hun gedooggedrocht, waarin Wilders als lachende derde zijn wil oplegt aan CDA en VVD, zonder dat hij verantwoording hoeft af te leggen voor zijn ondermijnende activiteiten, hoe Verhagen zich ook inspant om dat te voorkomen. Wilders zegt lekker toch wat hij wil, laat ze er maar aan wennen.

Naast deze betreurenswaardige ontwikkeling zie ik een tweede ongewenste trend ontstaan. Vanochtend werd het onderwerp van de formatie op Radio 1 besproken. Pieter Winsemius, Joris Voorhoeve en Frans Weisglas werden genoemd als protestanten tegen de gedoogvariant, maar die staan toch al bekend als politici die zich bezighouden met ‘linkse hobby’s’. Zie wat hier gebeurt: wat aanvankelijk ongeleide Wildersretoriek was, wordt langzamerhand omarmd alsof het om bestaande begrippen gaat. Het woord kopvoddentaks is al bijna gemeengoed geworden. Half Pakistan staat onder water, wellicht ten gevolge van de milieuproblematiek, de opwarming van de aarde en het broeikaseffect en Wilders spreekt denigrerend over linkse hobby’s!

Wederom lacht Wilders in zijn vuistje. Zijn taal slaat aan en gaat een eigen leven leiden. Nuancering van standpunten ontbreekt ten enenmale, maar het gewenste effect is bereikt. Maar misschien is het nog niet te laat. Misschien komen de formerende heren alsnog tot de ontdekking dat het met Geert Wilders kwaad kersen eten is en dat Nederland toch beter af is als het niet van het gedogen van Wilders afhankelijk is.

zondag 25 juli 2010

Willem Breuker

Aanvankelijk dacht ik dat er bij het journaal een vergissing was gemaakt. Bij het bericht over de dood van Willem Breuker werd een foto getoond van een man die Willem Breuker niet kon zijn. In mijn herinnering was Breuker een voorbeeld van Hollands welvaren. Een dikke brutale kop, waarvan je de schijt aan het muziekestablishment kon aflezen, een kop van een levensgenieter, die ongetwijfeld regelmatig tot diep in de nacht met zijn muziekmaten in de kroeg zat en plannen maakte voor nieuwe composities of arrangementen.
De hologige, magere man van de journaalfoto herkende ik nog steeds niet toen die de volgende ochtend ook in de krant verscheen. Toen ik las over zijn levertransplantatie en de longkanker waaraan hij is gestorven, realiseerde ik me dat het hem wel moest zijn. En pas nadat ik het filmpje op de website van BVHaast, waarop een sterk vermagerde Breuker een interview geeft, had bekeken, raakte ik een beetje gewend aan zijn nieuwe uiterlijk.

Ik heb me altijd een beetje verwant gevoeld met Willem Breuker en zijn muziek. Uiteraard was zijn collectief een veel beter geschoold orkest dan mijn Oerkest indertijd, maar het repertoire dat we speelden, vertoonde veel overeenkomsten. Als mensen me vroegen wat voor muziek Oerkest speelde, moest ik het antwoord altijd schuldig blijven. Op een bepaald moment viel de term 'eclectisch', wat zoiets zou kunnen betekenen als een combinatie van stijlen. Dat dekte inderdaad de lading wel een beetje.
Breuker en de zijnen spraken liever over 'mooiste mensenmuziek' en in die term kan ik me goed vinden. Een ratjetoe van stijlen, zonder de wat platte bijklank van het woord ratjetoe.
Ik herinner me dat ik Willem Breuker een keer een brief heb geschreven met het verzoek of hij wat materiaal voor me had. Ik kende hem natuurlijk niet persoonlijk, maar schijnbaar was hij gecharmeerd van het Oerkestconcept en hij stuurde me dan ook volledig koste- en belangeloos een tweetal partituren op. Een van die twee stukken heb ik hergearrangeerd en veelvuldig gespeeld met Oerkest: Dance of the Knights uit Romeo en Julia van Prokovjev. Aan het andere stuk, Francois le Marin, zijn we helaas nooit toegekomen.
Zo'n man was het dus blijkbaar. Hij had een missie: mooie muziek hoorbaar maken voor de gewone man, met toeters en bellen, maar dan zonder toeters en bellen als het ware.

Ook de manier waarop Breuker zijn stukken namen gaf, kwam overeen met de mijne. Geen titels als 'etude' of 'concert voor ...' maar 'de ziekte van Parkinson' of 'my baby has gone to the schouwburg', zoals ik mijn stukken bijvoorbeeld 'een koude start' of 'allemaal het water uit en aankleden! noemde.

De workshoporkesten - en dat zijn er heel wat in Nederland - zijn veel dank aan hem verschuldigd. De muzieksien zal hem node missen. En al is mijn orkesttijd waarschijnlijk ook voorgoed verleden tijd, ik zal dat ook.

www.bvhaast.nl

dinsdag 22 juni 2010

Achtertuinperikelen (3)

In de tuin is het momenteel een gepiep van jewelste. Twee weken geleden hebben vijf jonge pimpelmezen de aan de schuur hangende nestkast verlaten. In de heg van de linkerburen ontdekten we nog een nest met een viertal jonge merels en op het moment dat ik dit schrijf zit er een jong musje op de ligbank te bedelen om zijn lunch.

Het was voor het eerst dat ik een dergelijke uitvliegvoorstelling live heb meegemaakt. Om beurten verschenen er kleine ongeduldige vogelkoppen voor het vlieggat. Het kan bijna niet anders dan dat de meesjes binnen in die kast op elkaars schouders zijn geklommen om überhaupt de uitgang te kunnen bereiken. Zich eenmaal vastgeklampt hebbend aan de rand van het gat, begon het onzekere heen en weer wiegen. Alsof ze wilden zeggen: “Ik wil wel, maar ik durf nog even niet.” Ondertussen bleven beide ouders voortdurend af en aan vliegen met voer. Het jong dat op dat moment moed aan het verzamelen was om uit te vliegen, werd nog eens extra aangemoedigd met lekkere hapjes. Het heeft ruim een half uur geduurd voordat alle vijf pimpelmezen de sprong hadden gewaagd. De laatste was de grootste schijterd; die heeft er tien minuten over gedaan voordat hij zich uit de kast stortte.
Nadat de kleintjes allemaal het nest hadden verlaten, hebben we de nestkast geopend en vonden we nog twee eieren die niet zijn uitgekomen. We hebben de nestkast weer netjes teruggehangen in de hoop dat de familie pimpelmees besluit om nog een tweede gezin te stichten.

Ondertussen hebben de (wilde) konijnen van de buren daadwerkelijk een tweede leg geproduceerd. Het zou me niets verbazen als daar nog een derde en een vierde leg achteraan kwam. Waren de kleine konijntjes eerst nog allemaal van een onbestemd grijsbruine kleur, nu zitten er ook knappe blondjes tussen. Ze zijn natuurlijk allemaal even aandoenlijk, terwijl ze op hun achterste zitten en een bloem compleet met stengel naar binnen schuiven, ongeveer zoals een mens z’n spaghetti opzuigt. Ze gebruiken ook echt hun handen om die stengel mee vast te houden.

De buurvrouw is ten einde raad, maar wij kunnen ons er eigenlijk niet erg druk om maken. Het plezier dat we hebben van dat ravottend grut prevaleert (nog) boven de schade die ze aanrichten. Bovendien hoef ik nu niet meer zo vaak het gras te maaien.
Persoonlijk heb ik meer moeite met de brulkikker in de vijver van de andere buren, die ons nogal eens uit de slaap houdt. Gelukkig zijn er oordoppen en slaapmaskers om dat probleem te lijf te gaan.

zondag 13 juni 2010

Het zonnetje in huis

Geert Wilders wil zo graag regeren dat hij over zijn schaduw heen wil stappen en zijn breekpunt van de AOW-leeftijd wil laten varen. Ik heb hem verscheidene keren deze uitspraak horen bezigen. Wat hij de tegenpartij altijd verweet - wollig taalgebruik - is hem, nu het pluche in zicht is, ineens zelf niet vreemd meer. ‘Over je schaduw heenstappen’. Deze term wordt momenteel zo vaak gebruikt, dat hij binnenkort niet meer voldoet. En zoals veel uitspraken in de loop van het gebruik langzaam veranderen en verbasteren, zal dat waarschijnlijk ook met deze gebeuren. Binnenkort zullen we te maken krijgen met mensen die over andermans schaduw heenstappen, over de eigen schaduw vallen, door hun schaduw heenkijken, door andermans schaduwzijde struikelen, sneller praten dan hun eigen schaduw (met dank aan Lucky Luke), de zon in de schaduw zetten, de schaduw in de zon zetten, de schaduw in huis zijn, over je eigen zonnetje lopen, je eigen breekpunt in de schaduw zetten, je maakpunt breken, je schaduwpunten bepalen, een schaduwbreuk maken, door je eigen wolkbreuk heen prikken.

Wilders zegt wat hij denkt, denkt wat hij zegt, maar vergeet nogal eens te denken, voordat hij wat zegt. Als ik de commentaren van de buitenlandse pers op de winst van de PVV lees, ben ik bang, dat een Nederland met Wilders in de regering heel snel in de internationale schaduw zal komen te liggen. Daar zal Wilders zelf waarschijnlijk maling aan hebben. Die stapt blijkbaar makkelijk over zijn zelf opgeworpen schaduwen heen. Laten we hopen dat er als het misgaat met de Wilderscoalitie, een fatsoenlijk schaduwkabinet klaarstaat om het over te nemen.

woensdag 2 juni 2010

Superman

Laatst zag ik voor het eerst een aardige nieuwe reclame van Kit Kats, getiteld ‘Work Like A Machine’. We zien een man achter de kassa die in plaats van de normale prijzenscanner de gekochte artikelen allemaal langs zijn voorhoofd schuift en daarbij een piepgeluid produceert. Leuk bedacht, en het is grappig omdat het zo onzinnig is. Totdat ik me realiseerde dat ik kort daarvoor een artikel had gelezen over transhumanisme. Bovendien kwam daar nog bij dat ik regelmatig dromen heb, die ik graag wil herbeleven, maar die bij het wakker worden in no time vervluchtigen.

Het artikel over transhumanisme begint al gelijk met een behoorlijk boude redenering: ‘In de toekomst zullen we allemaal Superman zijn. Onze intelligentie zal reeds in de baarmoeder worden opgevijzeld door genetische manipulatie.’ Het is simpelweg een kwestie van de juiste chip implanteren. Zoals we computers met werkgeheugen en opslagcapaciteit kunnen uitbreiden, zullen we dat binnen afzienbare tijd ook met de mens kunnen.

Er zijn nog wat ethische hobbeltjes te nemen – vooral in de Bible Belt worden rellen en opstanden verwacht – maar uiteindelijk lijkt het een onafwendbare ontwikkeling. Als de kennis er eenmaal is, dan zal die onherroepelijk worden gebruikt. En goed beschouwd zijn we al een flink eind op weg: pillen tegen ADHD, pillen om geheugen en concentratie te verbeteren (ook gezonde mensen slikken ze), embryo’s die gescreend worden op het Downsyndroom of andere genetische afwijkingen. In de toekomst is het volgens Nick Bostrom, hoogleraar filosofie in Oxford, heel wel mogelijk om ‘het embryo ook in positieve zin te manipuleren’. De wensen van de ouders kunnen hier een belangrijke rol spelen: ‘Mijn kind moet vooral intelligent zijn, nee, doe maar sociaal, maar het moet ook mooi viool kunnen spelen’.

Op school proberen we kinderen dingen te leren, beter te maken, hun talenten zoveel mogelijk te ontwikkelen en te benutten. Die talenten zijn voor een groot deel het resultaat van een genetische loterij. We zetten alle mogelijke middelen in om die doelen te bereiken en nemen de aangeboren ongelijkheden voor lief. Sterker nog, we zijn reuzeblij met de grote verscheidenheid aan kinderen, en dat is maar goed ook. Maar toch is het een aardig tijdverdrijf om verder te fantaseren.

Even voorbijgaand aan de morele bezwaren die er kleven aan genetische manipulatie, zie ik ongekende mogelijkheden. Je hoeft kinderen niet meer te leren hoofdrekenen. Even de som langs de chip in het hoofd scannen en de uitkomst rolt er uit, al dan niet via een aan je zij gemonteerd laserprintertje, dat door een speciaal ontworpen lever voorzien wordt van de nodige toner (uiteraard full colour). Tomtoms zijn niet meer nodig, en kaart leren lezen op school is natuurlijk hopeloos ouderwets. Vreemde talen leren is slechts een kwestie van de juiste module op de chip zetten.
En wat betreft de dromen die ik me bij het wakker worden nog slechts vaag kan herinneren: je moet de geïmplanteerde chip zo kunnen programmeren dat die droombeelden simpelweg op je bureaucomputer kunnen worden gedownload en gearchiveerd, zodat je ze kunt terugzien: een soort DreamYouTube.

Nee, wat mij betreft kan de toekomst niet gauw genoeg beginnen.

zaterdag 15 mei 2010

De woorden van Wilders, en waarom ze werken

Vanochtend hoorde ik op de radio een interview met Jan Kuitenbrouwer naar aanleiding van zijn nieuwste taalboek: De woorden van Wilders en waarom ze werken (mooie alliteratie). Daarin doet hij onderzoek naar het taalgebruik van politici, in het bijzonder dus Geert Wilders, en probeert hij te achterhalen waarom Geert Wilders zo ongelooflijk scoort met zijn uitspraken, oneliners en neologismen (en dooddoeners).

Het bekende werk van Jan Kuitenbrouwer (Turbotaal, Lijfstijl, Percies!) heb ik nooit echt gelezen. Ik heb een soort natuurlijke aversie tegen hip en trendy taalgebruik en vereenzelvigde Kuitenbrouwer (waarschijnlijk volkomen onterecht) met de inhoud van z’n boeken. Na het beluisteren van het interview en na het bekijken van zijn weblog kijk ik iets anders tegen zijn schrijven en zijn persoon aan. Hij is namelijk behalve belezen en kritisch ook af en toe ongemeen grappig.

Terug naar de taal van Wilders. Een paar voorbeelden van inmiddels al bijna ingeburgerde uitspraken: kopvoddentax, multicul, tsunami van islamisering, grachtengordelgeneuzel, en de laatste opzienbarende woordenparen Henk en Ingrid, Ali en Fatima.

Een - op dit moment, maar dat zal waarschijnlijk spoedig veranderen - iets minder bekende: dimmy: een woord voor een westerse burger die in een Arabisch land woont, ‘onderdanige handlanger van de islamisering’. Job Cohen is een dimmy, Pechtold is een dimmy, Wilders noemt Balkenende zelfs een dubbele dimmy: allodimmy, eurodimmy.

Dat Wilders een retoricus is, moge duidelijk zijn. Hij kent zijn klassiekers als het gaat om goed redenaarsschap. Hij hanteert technieken als herhaling van bepaalde goed bekkende zinsnedes, zijn opsommingen bestaan altijd uit minstens drie elementen, hij is niet wars van een flink potje schmieren en maakt grappen over de ruggen van anderen. Hij speelt in op emoties - dat heeft hij gemeen met bijvoorbeeld Martin Luther King of Barack Obama. Het verschil is dat hij zijn uitspraken niet beargumenteert. Maar daar maalt hij niet om. ‘Waarom zou je argumenten gebruiken, als je de mensen toch al bereikt met alleen oneliners?’ aldus Kuitenbrouwer.

Wilders neemt geen blad voor zijn mond. Veel van zijn aanhangers vinden het fijn dat er eindelijk eens iemand is opgestaan die hardop durft te zeggen wat ‘iedereen’ denkt. Ik betwijfel ten zeerste of zeggen wat je denkt een betere wereld tot gevolg zal hebben. Als ik tegen iedere aantrekkelijke vrouw die ik tegenkom, laat weten wat ik van haar vind, doe ik waarschijnlijk weinig mensen een plezier. Andersom zou ik tegen iedereen die ik niet sympathiek vind, moeten vertellen hoe de vlag erbij hangt, en ook dat levert een weinig aantrekkelijk beeld op.

Voor Geert Wilders ben ik echter bereid om een uitzondering te maken.
Ik hoop van harte dat het boek van Jan Kuitenbrouwer bij zal dragen aan het doorprikken van de wildersballon, aan het stoppen van de wildersgroei, aan de ontmaskering van deze dommagoog, pseudovrijheidsstrijder en levensgevaarlijke prins carnaval.

Wilders, profeet van de angst

maandag 10 mei 2010

Walter & Co

Boven de voordeur van mijn ouderlijk huis hing een neoninstallatie waarop in blauwe kapitalen de tekst ‘WALTER & CO, ASSURANTIЁN’ stond. Nu was het hebben van neonreclame in die tijd (zo’n veertig jaar geleden) waarschijnlijk hartstikke hip en vooruitstrevend, maar bij dat gegeven heb ik nooit echt stil gestaan. De woorden op het neonbord daarentegen zijn lange tijd een groot raadsel voor me gebleven. Bij veel beroepen kun je je een voorstelling maken van het soort werk dat er gedaan wordt. Een kok kookt, een bakker bakt brood, een leraar geeft les. Bij het woord assurantiën had ik geen beeld, behalve dan dat het waarschijnlijk iets heel belangrijks was. Ook de toevoeging ‘co’ had een mysterieuze bijklank.

(In de begindagen van de zwart-wit televisie was er een talencursus op de buis met de titel ‘Walter and Connie’. Op mijn lagere school werd ik regelmatig geplaagd met deze toevalligheid.)

Mijn vader had boven zijn kantoor. Eén wand bestond uit een plankenkast (waarschijnlijk zelf in elkaar gezet, hoewel ik mijn vader niet herinner als een groot knutselaar) met daarnaast een groot aantal tot aan het plafond opgestapelde kartonnen archiefladen in allerlei kleuren, allemaal netjes gelabeld en voorzien van een rond grijpgat om de schuiflade gemakkelijk te kunnen openen en sluiten. Het moeten er meer dan honderd geweest zijn.
Er stonden twee Gispen kantoorstoelen, stalen frame, zwart skaileer, waarin je lekker heen en weer kon wiegen. Eén stoel was voor mijn vader, de ander voor als er een klant op bezoek kwam of voor de ‘co’ van de reclameverlichting. Mijn vader had uiteraard een groot, grijs, metalen bureau, dat altijd bezaaid lag onder de papieren en waarop een pontificale schrijfmachine stond. Als onderlegger had hij een grote afscheurbare kalender (ik vermoed A1-formaat), die helemaal volgekrabbeld was met aantekeningen. In de bureaula rechtsboven was een kaartsysteem geplaatst met alle namen en adressen van zijn klanten. Lange tijd heeft er ook een asbak op het bureau gestaan, waarin dagelijks twee pakjes caballero hun einde vonden.

De co moest het doen met een tafelblad van 80 bij 60 centimeter waaronder inklapbare poten die in het midden met een vleugelmoer werden vastgezet. De man, met de fantasieprikkelende naam Langelaar, kwam voor zover ik me kan herinneren, twee keer in de week op de koffie en besprak waarschijnlijk de zaken met mijn vader. En gezien het feit dat hij een eigen bureautje had, zal hij ook wel eens boven hebben zitten werken. Van de ene op de andere dag verdween meneer Langelaar van het toneel. Zo schimmig als het werk wat mijn vader deed, zo schimmig werd er gedaan over de plotselinge aftocht van ‘co’. Later heb ik eens een keer gehoord dat het een kwestie van geld was, dat meneer Langelaar m’n vader gepiepeld had. Ik kon het me niet voorstellen: zo’n aardige man!

Nu ik zelf zzp’er ben, begrijp ik iets meer van wat m’n vader toentertijd allemaal heeft zitten uitspoken op z’n kantoor. Maar zoals ik toen geen idee had van wat voor werk mijn vader deed, heeft mijn vader geen notie van wat ik doe. Ik heb het hem een keer geprobeerd uit te leggen, maar begrijpelijkerwijs landde mijn verhaal totaal niet.

In navolging van mijn vader heb ik ook een naambord op de gevel hangen. Geen neon, want dat is nu natuurlijk ouderwets.

zondag 2 mei 2010

Zelfstandig

Na het lezen van de column van Olaf Tempelman (‘Over mijn opa gaat het verhaal dat als mijn oma op reis was en het dienstmeisje vakantie had, een overbuurvrouw langs moest komen om zijn soep op te warmen’) ben ik eens flink bij me zelf te rade gegaan om eens op een rijtje te zetten wat ik allemaal kan. De conclusie luidt: schrikbarend weinig. De vraag dringt zich dan onherroepelijk op hoe ik me zal weten te redden als ik er ooit in m’n eentje voor kom te staan. Ik krijg dan visioenen van bedden die niet verschoond worden, omdat ik niet weet hoe de wasmachine werkt. (Het is trouwens de vraag of ik er überhaupt bij stil sta dat er kleren moeten worden gewassen.) En als ik dan toch een poging heb gewaagd, heeft al het wasgoed de kleur aangenomen van mijn rode voetbalkousen (die ik ook al geen voorbehandeling heb gegeven, zodat de modder de motor, die ik uiteraard niet zelfstandig kan repareren, heeft doen vastlopen), of zijn mijn onderbroeken door de wasdroger compleet uitgelubberd, omdat het elastiek de warmte van de droger niet verdraagt. Binnen de kortste keren zou er een grootbeeld lcd-televisie in de huiskamer staan omdat ik niet met geld kan omgaan.

Een knoop aan een overhemd zetten, vergeet het maar. Sokken stoppen, laat me niet lachen. Als jongen heb ik ooit een band geprobeerd te plakken. Na een achttal plakkers dakpansgewijs op het lek te hebben aangebracht, bleek het euvel nog steeds niet verholpen en heb ik de spreekwoordelijke pijp aan Maarten gegeven. De overbekende Ikeameubels zijn nog nooit in één keer foutloos door mij in elkaar gezet. Als ik pannenkoeken ga bakken, moet ik altijd het recept er weer bij pakken. En dat is geen garantie dat het resultaat aanvaardbaar is.

De waslijst wordt, hoe langer ik nadenk, alleen maar uitgebreider. Toen G. van de week een stoombad nodig had om haar verkoudheid een halt toe te roepen, heb ik zoveel eucalyptusextract in het water gegooid, dat ze er bijna in bleef. Ooit heb ik mijn moeder als Sinterklaassurprise een medicijnkastje cadeau gedaan (een product van de handenarbeidles, klas vier.) Het kastje was met zoveel spijkers dichtgetimmerd, dat ze het nooit open heeft gekregen. Het is bijna te gênant voor woorden, maar als student at ik regelmatig aardappels uit blik, omdat ik nooit had geleerd om aardappels te schillen.

Gelukkig zijn er ook dingen die ik wel kan. Ik kan hartstikke goed klaverjassen, spellen gaat me aardig af, ik kan jongleren met drie ballen en (zonder handen!) m’n oren bewegen. Sudoku’s hebben geen geheimen voor me.
Natuurlijk heb ik intussen een aantal núttige zaken onder de knie gekregen. Mijn vegetarische linzenpot is niet te versmaden, ik weet intussen hoe ik een stekker in elkaar moet zetten en ik poets regelmatig mijn schoenen zonder al te veel vlekken op de vloer achter te laten.
Voor de rest bluf ik me met de trouwhartige hulp van vrouw G. door het leven.

zondag 25 april 2010

Geheugen

Tijdens ons zondagavondeten gebeurt het nogal eens dat G. en ik in een nostalgische bui geraken en jeugdherinneringen uit een bepaalde periode proberen op te halen. Opvallend is daarbij dat G. heel vaak exact weet te vertellen wat ze beleefd heeft en dat ik daarentegen keer op keer tot de teleurstellende conclusie kom dat ik me nauwelijks iets weet te herinneren, in dit geval van onze ongetwijfeld woelige middelbareschooltijd. G. ziet haar bureau waar ze huiswerk aan deed glashelder voor zich; ik kan me niet herinneren of ik überhaupt ooit huiswerk maakte. G. herinnert zich heel duidelijk dat ze absoluut niet zenuwachtig was voor haar eindexamen. Van mijn examen weet ik alleen nog dat ik geslaagd ben omdat een van mijn leerkrachten me in een genereuze bui een tiende van een punt cadeau deed om de twee vijven op m’n eindlijst te compenseren. En dat deed hij alleen maar omdat de wiskundeleraar op het Bonaventuracollege een oom van me was.
Misschien waren ze ook wel blij dat ze van me af waren, maar ook dat kan ik me niet herinneren. G. vroeg me bijvoorbeeld wat ik na schooltijd altijd deed. Vermoedelijk was het niet zo dat ik huiswerk ging maken, want - dat herinner ik me gek genoeg nog wel - huiswerk schreven we altijd over van Coby Odijk of - in geval van Latijnse of Griekse vertalingen - van Benjamin Ruijsenaars. (In het onthouden van namen ben ik blijkbaar wel goed.) Nu ik erover nadenk weet ik nog wel dat ik voor het mondelinge examen aardrijkskunde zo zenuwachtig was , dat ik niet meer kon reproduceren dat Nederland een zeeklimaat heeft, maar dat komt waarschijnlijk omdat ik dat voorval als een grappige anekdote beschouw en het verhaal bij de borrelpraat ook als zodanig presenteer. Een echt diepzinnige herinnering zou ik het niet willen noemen.

Tot op de dag van vandaag betreur ik het feit dat ik tijdens mijn middelbareschooltijd zo onbewust met m’n leven bezig ben geweest. De feiten uit die tijd (i.c. mijn eindexamencijferlijst in combinatie met de paar herinneringen die ik nog wel heb) wijzen er echter op dat ik er een behoorlijk zootje van gemaakt moet hebben. Als er in die tijd al enige sprake was van een bepaald talent, heb ik dat talent zeker niet ten volle benut.
Dat er in m’n onderbewustzijn toch iets moet achtergebleven zijn, bewijst het feit dat ik vanavond zonder moeite het begin van een Latijnse tekst van Livius kon aanvullen. G. begon aarzelend met ‘Ab urbe …’ , wat ik spontaan aanvulde met ‘… condita’. Vraag me niet wat de bijbehorende historie inhoudt, maar de woordcombinatie zit blijkbaar in een van m’n geheugenlades geramd.

Is er nog iemand onder de lezers van deze column die de twee boeken Tirocinicum Graecum nog in de kast heeft liggen? Ook de Via Recta heb ik na m’n examen ritueel verbrand (of gewoon in de vuilnisbak gekieperd, dat kan ik me niet meer heugen.) Wil die iemand die boeken misschien een keertje aan mij uitlenen? Wie weet helpt dat om bij mij weer enige herinneringen op te laten borrelen. Want hoe langer ik dit grote vergeten z’n gang laat gaan, hoe groter de gaten in m’n geheugen worden.

maandag 12 april 2010

Blogger gespot

Laat het schip met de gouden appelen maar doorkomen. Ik voel me een beetje als professor Akkermans (Kees van Kooten) die met een ondeugende blik in de ogen en met geaffecteerd stemgeluid beweert dat hij ‘gevraagd is’, als de interviewer informeert naar de stand van zaken rond de kabinetsformatie.

Ik ben genoemd! en nog even, dan ben ik beroemd!

Gisterenavond (wie schetst mijn verbazing?) kreeg ik een e-mail van een vriendin die vertelde dat ze bij Scheltema in Amsterdam (!) al bladerend in een nieuw boek van Peter Kassenaar (nog zo’n beroemdheid) mijn blogspot vermeld ziet staan. Ik heb natuurlijk gelijk op de site van Peter gezocht om te zien in welke context ik deze mededeling moet zien, en inderdaad, in de lijst van gequote sites staat hij echt.

Helaas is het nu maandagochtend en zijn de boekwinkels gesloten, anders was ik vanuit m’n bed linea recta naar de boekhandel gesneld om mij een exemplaar aan te schaffen.

Wat een opwinding kan zich van iemand meester maken na een dergelijke mededeling. Ik heb vannacht meteen maar gedroomd dat ik verkozen werd tot president van de Verenigde Staten en dat ik alle onrecht de wereld uit zou helpen, te beginnen met de oneerlijke verdeling van de krantenkopformaten.
De keren dat ik vroeger heb meegedaan aan een toneelstuk of een concert had gegeven met m’n orkest, was het eerste wat ik deed als de krant op de mat viel, kijken of in de recensie m’n naam werd genoemd en hoe ik het er af had gebracht in de ogen van de recensist. Hij/zij mocht het gehele stuk of voorstelling de afgrond in schrijven, als ik er maar positief uitsprong.

Zou ik vroeger te weinig aandacht hebben gekregen van m’n ouders? Ik betwijfel het, m’n moeder is de grootste lieverd die er op de aardkloot rondloopt (hoewel ze daar nu wat moeite mee heeft met al de hulpmiddelen die in haar lijf geïmplanteerd zijn). Ook over aandacht van metgezel G. heb ik niet te klagen, dus geef ik maar weer de schuld aan mijn jeugdvrienden die me in elk opzicht overvleugelden.

Ik volg de laatste tijd met meer dan gewone belangstelling de ontwikkeling op het gebied van het schrijven van columns. De Volkskrant - sinds ruim twee weken in compact formaat - had met veel bombarie de komst van Aaf Brandt Corstius aangekondigd. Ik was, toen ze een tijdje sidekick bij De Wereld Draait Door was, altijd erg gecharmeerd van haar mooie glimlach en haar wat-kan-mij-het-schelen-dat-ik-een-beetje-dik-ben-ik-schrijf-leuke-stukkies-in-de-krant-uitdrukking, dus ik verheugde me op haar bijdrage op de achterkant van de krant. Het heeft even geduurd, voordat ze de juiste toon vond. Haar eerste stukken vond ik ronduit slappetuttenverhalen. Afgelopen vrijdag wist ze me voor het eerst een glimlach te ontlokken met haar verhaal over de ‘scrabbleconjunctief’. Ook de column van vanochtend (over de neus van Linda) sprak me aan.

Het is me nu duidelijk. Het gaat om herkenbaarheid. Als ik iets lees en iets van mezelf daar in terugvind, dan is het mooi en goed. Zachtjes tegen dingen aanschoppen, een beetje ironie, een beetje spelen met de taal en Bob’s your uncle.

Een grote druk rust op mijn schouders. Nu ik ergens vermeld sta, kan ik het natuurlijk niet maken om schrijfpauzes in te lassen. Er moet geproduceerd worden, ik mag die duizenden fans niet teleurstellen. Dat wordt nog vroeger opstaan, me nog beter documenteren en zorgen dat ik gezond blijf. Alles voor de kunst! Het kost wat moeite, maar dan heb je ook wat.

Straks ga ik even de straat op. Kijken of ik al herkend word.

De site van Peter Kassenaar

maandag 5 april 2010

Meer achtertuinperikelen

We weten niet hoe lang de euforie duurt, maar tot nu toe genieten we met volle teugen. Sinds een week wordt onze achtertuin door een drietal wilde konijntjes - bij wijze van spreken net uit het ei - gebruikt als racebaan en kantine. Ma konijn is waarschijnlijk verhuisd, want die zien we niet meer. Die denkt ook bij zichzelf: ‘Oprotten, zoek het nu zelf maar uit, ik ga de bloemen buiten zetten.’ Het is een prachtig gezicht zoals die drie musketiers over elkaar heen buitelen en over het gras rennen, zich ogenschijnlijk niet bewust van al de gevaren die op de loer liggen, om daarna weer doodgemoedereerd te gaan zitten knabbelen aan gras en kruidentuin. Hopelijk voor hen komt de buizerd die we één keer in de tuin met een verse duif hebben zien neerstrijken er niet achter, want dan is het leed vast niet te overzien.

De voorstelling is gratis, al weet je nooit precies wanneer de show gaat beginnen en hoe lang hij duurt. Maar het is de moeite van het wachten waard. Huppelen, rechtstandig omhoog springen, gekke bekken trekken, clownesk achter de oren krabben, tegen elkaar op botsen. Alleen met gespreide pootjes op hun rug liggen ontbreekt op hun repertoire, maar dat komt misschien als de genoemde buizerd mee gaat doen.

Overigens zijn de konijntjes niet de enige levende wezens die actief zijn in de tuin. De twee nestkasten worden druk bezocht door pimpel- respectievelijk koolmees. De pimpelmezen houden er een wonderlijk ritueel op na. We hebben nog niet weten te doorgronden wat de bedoeling is van het voortdurend tegen het schuurraam opvliegen. Ik heb het een minuut of wat zitten observeren. Recht tegenover de nestkast staat een rozenboog, vanwaar de pimpelmees in een rechte lijn zijn huis kan binnengaan. Een perfecte aanvliegroute, zou je zeggen. In plaats daarvan vliegt hij eerst een paar keer in volle vaart richting schuurvenster, remt op het allerlaatste moment weer af, probeert een halve seconde zijn evenwicht te bewaren op de sponning van het raam en vliegt weer terug naar zijn uitgangspositie. Pas na drie, vier keer het raam aangevallen te hebben, vliegt hij zijn nestkast binnen. Ik heb me afgevraagd of hij in de spiegeling van het glas een rivaal herkent die hij af wil schrikken. Aan de zijkant van ons huis hebben we twee glazen deuren en daar voert een staartmees exact dezelfde charge uit. Hij zit op een tak, vliegt richting raam, botst, kijkt beteuterd (dit laatste verzin ik er bij) en vliegt weer terug naar zijn tak. G. en ik hopen maar dat hij voordat hij zich te pletter vliegt lessen trekt uit zijn ervaringen. Ik kan me niet voorstellen dat die dreunen tegen het raam geen pijn doen.

Enfin, na de jammerlijke dood van hond Joep hebben we weer iets animaals om ons over te verheugen. Totdat de konijnen natuurlijk onze kruidentuin volledig hebben weggevreten en zelf ook aan het volwassen donderjagen beginnen. Op een plaag zitten we natuurlijk ook weer niet te wachten.

zondag 28 maart 2010

Achtertuinvogels

Het lijkt erop dat onze achtertuin is goedgekeurd. Waren er aanvankelijk alleen drie mannetjes goudvink (zie blog van 20 februari jl.), nu heeft een vrouwtje zich bij een mannetje gevoegd. Ik kon duidelijk de vastberaden blik in haar kraalogen ontwaren: 'Dit wordt mijn nieuwe huis'. Was die openhuizendag van gisteren toch nog ergens goed voor.

Seniorenvoetbal

Eigenlijk had ik gisterenavond een feestje. Maar ik had het kunnen weten: na de wekelijkse zaterdagmiddagpot voetbal ben ik tot niets anders in staat dan tot amechtig in mijn stoel zitten en hopen dat G. me een liefdevolle voetmassage geeft. Uiteraard maken de paar glazen wijn die doorgaans bij het weekendeten worden genuttigd de situatie er niet beter op. En ondanks het feit dat ik nog regelmatig te horen krijg: ‘Goh, 54 had ik je niet gegeven’ en dat ik gisteren ondanks een abominabele wedstrijd met vier doelpunten ‘the man of the match’ was, is het verval onherroepelijk begonnen. Mijn goddelijk lichaam van vroeger is definitief verleden tijd. Elke zondagochtend lijkt het lijf opnieuw te moeten leren lopen. Er groeit haar op plekken waar het niet moet groeien en niet meer op plaatsen waar het wel gewenst is. Mijn mooie donkere krullen! Ach, waar blijft de tijd?

Ik weet niet hoe hij er nu over denkt, maar vroeger vond mijn vader voetballen een ‘volkssport’ en verbood hij mij lid te worden van een club. Als hij wat milder gestemd was, zei hij dat voetballen maar een raar spelletje was: ‘22 volwassen kerels die allemaal achter een bal aan rennen en als ze hem hebben, schieten ze ‘m zo snel mogelijk weer weg’.
Toen ik de leeftijd bereikte waarop ik mijn eigen beslissingen kon nemen, ben ik toch lid van een voetbalclub geworden. Ik realiseer me nu dat mijn vader ondanks zijn vooroordelen de contributie voor zijn rekening nam. Waarschijnlijk vloeide dat voort uit het feit dat de ploeg (DOCOS 11) volledig werd gevormd door leden van het jongerenkoor (je moet tenslotte wat met je hormonen) waar ik toen deel van uitmaakte. De maatstaven waarmee mijn vader mat, heb ik nooit echt kunnen doorgronden.

Eén wedstrijd herinner ik me nog goed. Toen was bewegen nog een tweede natuur. We speelden in Hazerswoude op een achteraf gelegen polderweiland. Een oud schuurtje deed dienst als kleedkamer, het bier voor na afloop moesten we zelf meenemen, want een fatsoenlijke kantine was er niet (al weet ik dat laatste niet helemaal zeker meer). In ieder geval wonnen we de wedstrijd nipt met 6-5. Vijf van de goals, inclusief de winnende, had ik gescoord, waarvan vier met het hoofd. Wellicht heb ik toen het mooiste compliment uit mijn bescheiden sportcarrière gekregen. Bij een hoekschop klonk er een bijna dichterlijke kreet in het zestienmetergebied: ‘Kan iemand eindelijk die lange darm daar dekken!?’ Het hielp niet. Voor de derde achtereenvolgende keer verdween de bal via mijn hoofd in het net.

Ik geloof best wel dat bewegen gezond is. Ik zal ook mijn best doen om het zo lang mogelijk vol te houden. Ik moet alleen mijn eisen en verwachtingspatroon beetje bij beetje gaan bijstellen. Bij de RGV is een afdeling seniorengym. Misschien is dat wat voor me - over twintig jaar. En feestjes op zaterdagavond? Vergeet het maar.

dinsdag 23 maart 2010

Kruisen

Het heeft een tijdje geduurd, maar eindelijk stond er weer eens een aardig en inspirerend artikeltje in de krant. Een losgebroken bok heeft zich op nietsvermoedend schaap gestort en haar vier dartele nakomertjes bezorgd. Je zou in dit geval misschien kunnen spreken van een neef en nicht die samen kindertjes hebben gekregen. Wij werden daar vroeger voor gewaarschuwd – daar komen rare schepsels uit voort – maar zolang het geen mensen betreft, is het kruisen van levende wezens ethisch gezien voor sommige lieden nauwelijks een probleem. We kennen natuurlijk de muilezel (kruising tussen ezel en paard) en ook tussen zebra’s en paarden wordt flink gekruisjast. Als onze eigen huispoes het met de rode kater van de buren heeft gedaan, is de kans op bonte variëteiten ook aanzienlijk. In gevangenschap is er al een flink aantal lijgers geboren. Joekels van beesten, leeuwenkoppen met tijgerstrepen, aaibaar en wondermooi.

Er schijnt serieus te worden nagedacht over de mogelijkheden van het kruisen van chimpansees met mensen - zoek maar op: de ontstane wezens worden humanzees genoemd. Nu zal dat in de praktijk wel via kunstmatige inseminatie gebeuren, want vermoedelijk is er geen weldenkende chimpansee te vinden die met een homo sapiens wil vrijworstelen (andersom zal het waarschijnlijk niet heel moeilijk zijn om iemand te vinden; sex met dieren is volgens sommige mensen een zwaar ondergewaardeerd tijdverdrijf). Maar als de ontwikkeling zich doorzet, is het in de toekomst mogelijk dat de chimpansee leert praten, op een gegeven moment gelijkwaardige behandeling gaat eisen en uiteindelijk de wereldheerschappij zal gaan overnemen.

Het is natuurlijk altijd weer dolle pret als aan dergelijke kruisingen van dieren namen moeten worden gegeven. In het geval van de bovengenoemde bok en ooi wordt gesproken van gapen in plaats van schapen. Als het een een ram en een sik (vrouwtjesgeit) betreft, hebben we te maken met scheiten. Het nageslacht van beide combinaties is onvruchtbaar, zal geen melk leveren, dus helaas zullen we voorlopig niet weten hoe scheitenkaas zal smaken.

We hebben het hierboven alleen maar over kruisingen van zoogdieren met zoogdieren. Je fantasie schiet tekort als je bedenkt wat er, op voorwaarde dat dat überhaupt mogelijk is, zou ontstaan als je een cavia met een vis of een lama met een vlaamse gaai zou kruisen. Woorden zouden nog wel te verzinnen zijn: cavis en vlama, maar een beeld schetsen van hoe ze eruit zouden zien is niet zo makkelijk. Toch gaat de experimenterende wetenschapper geen brug te ver. Er schijnt een muis gekloond te zijn die een menselijk oor(!) op zijn rug draagt. Een horrorfilm stelt daarbij vergeleken helemaal niets voor.

De meeste mensen gedragen zich echter keurig en blijven heel veilig tussen de soortgenoten. Belgen en Turken samen leveren gewoon kinderen op: telgen.